Jaco Benckhuijsen

Kannibalen

door Jaco Benckhuijsen

‘Ze hakten een arm of een been af terwijl hij nog leefde. Ze stoofden zijn lichaamsdelen in een kuil terwijl hij aan het doodbloeden was. Kinderen braken ondertussen zijn ledematen met stenen. En de stervende strijder gaf geen krimp, hij wist wat hem te wachten stond. Over een paar minuten zou hij wegzakken in een kolk van pijn, vuur, half bewustzijn en wenkende voorouders.’

Diambo Ietero zal het weten: daar waar hij is opgegroeid was het kannibalisme wijdverbreid. Hij is de eigenaar van het kleine pension in Alotau en komt een praatje met me maken, in de eetzaal die met muggenhorren is afgescheiden van de tuin. Daar vertelt hij mij over de brute geschiedenis van zijn land.

Kannibalisme, het komt niet meer voor in Papua Nieuw Guinea. Heel af en toe misschien nog, tijdens de onvermijdelijke oprispingen van geweld die iedere samenleving nou eenmaal heeft. Maar het was het eerste waar mensen over begonnen als ik vertelde over mijn plannen om er heen te gaan. Papoea Nieuw Guinea als mythisch land van bizarre rituelen en pervers geweld.

En vooral in de Australische media zie je steeds weer gruwelverhalen over geweld op hun primitieve buureiland. Dochters die hun incestueuze vaders met een bijl de schedel inslaan. Kampeerders die ’s nachts in hun tenten worden afgeslacht omdat ze op heilige grond staan.

Australië’s Heart of Darkness ligt niet in Afrika, maar op een overwoekerd eiland vlak naast het hunne.

De meeste gruwelverhalen zijn natuurlijk uit hun context gehaald en makkelijk te vergelijken met het gewelddadige verleden van westerse landen. Maar voor blanke Australiërs lijkt Papoea Nieuw Guinea de projectie van hun eigen perversies, moordzucht en seksualiteit. Australië’s Heart of Darkness ligt niet in Afrika, maar op een overwoekerd eiland vlak naast het hunne. En net zo makkelijk als ze hun gruwelfantasiën naar dit land exporteren, dumpen ze binnenkort ook hun bootvluchtelingen op een Papoea-eiland.

Maar wat is er waar van de verhalen over de kannibalen in het verleden? Ik vraag het aan Diambo, in de keuken van zijn kleine pension.

‘De mensen die gegeten werden waren altijd krijgsgevangenen, strijders van de stam waarmee ze in oorlog waren. En oorlog konden ze hebben vanwege een geroofde vrouw, door vetes, of ruzies over land’. Volgens Diambo waren het alleen de strijders die hun gevangenen opaten, in een woest en wreed overwinningsritueel.

Later, op de Duke of York eilanden, hoor ik weer andere verhalen over het kannibalisme. Ze aten de mensen van de andere stam niet alleen in de oorlog. Het was gewoon jacht. De mensen in het andere dorp met die vreemde taal waren net zo goed een eetbare prooi als de boomkangaroes en de vleermuizen.

‘Gelukkig zijn we nu vreedzame mensen geworden. Onze gewoontes waren heel wreed. De initiaties waren verschrikkelijk.’ ‘Hoe bedoel je? Pijnlijk?’ ’Ja. De jonge jongens leefden twee jaar lang afgezonderd van het dorp, in een speciaal kamp, en daar kregen ze iedere dag lessen van de mannen van het dorp, Maar ze werden ook gehard tot mannen die pijn kunnen verdragen en kunnen lijden zonder te breken. Dat was heel wreed.’

Ik kan me er iets bij voorstellen. In hun wereld kon je je door pijn niet laten tegenhouden. Mannen die zelf het nodige hebben meegemaakt, pijnigen elkaars zoons in de afwezigheid van vrouwen en dochters. Hoe harder ze ze aanpakken, hoe dapperder de jongens worden. Hoe anders is dat bij ons; waar fysieke pijn niet meer echt bij het leven hoort en waar we denken het langdurige trauma’s oplevert.

‘Maar één ding begrijp ik niet Diambo’, zeg ik. ‘De mensen die ik hier ontmoet, zowel de Highlanders als de Melanesiërs langs de kust, zijn zo vriendelijk, zo zachtaardig en bescheiden; ik kan me zo moeilijk voorstellen dat geweld zo alledaags voor ze was.’
‘De kerk heeft ons veranderd. Maar dat ging niet vanzelf. In het begin hebben ze hier ook de zendelingen opgegeten. Met schoenen en al. De eerste zendelingen kwamen hier al in 1890, en uiteindelijk hebben ze vredelievende mensen van ons gemaakt.’

‘De zendelingen hebben ons onze slechte gewoontes afgeleerd. Maar dat ging niet vanzelf. In het begin werden ze hier ook opgegeten.’

Een vreedzame god die de mensen van hun trots en hun geweld afhelpt.. Ik moet denken aan de filosoof Nietzsche, die in het boek ‘De antichrist’ (1888) ongenadig tekeer gaat tegen het christendom. Hij zou het een mooi voorbeeld vinden van zijn stelling dat een moreel goede en liedevolle god alleen maar kan aanbeden worden door een volk dat zijn trots en eigenwaarde heeft verloren.

Voor Nietzsche zou de bekering van de Papoea’s, die in zijn tijd plaatsvond, vast een vernederende castratie, de ontzieling van een dapper en heldhaftig volk hebben betekend. Trotse krijgers die een lijdende en willoos aan het kruis gespijkerde God gaan vereren.
Niet dat wij met onze christelijke cultuur zo vreedzaam zouden zijn. Maar het geweld is volgens mij beter opgeborgen, bijvoorbeeld in onze economische relaties, of met een gladde laag moraal overdekt.

‘Maar vind je het niet jammer dat jullie trotse cultuur zo uit elkaar is gevallen en weggezonken in het verleden? ‘Ja’, zegt Diambo, zelf christen, ‘en we proberen die nu weer te herstellen, met onze festivals. Tenminste, dat wat we nog weten. In onze cultuur werd er nooit opgeschreven. Alles wat we wisten vertelden we door via verhalen, duizenden jaren lang, en we deden de dingen voor aan onze kinderen. Ze konden ons zo makkelijk onze eigen kennis laten vergeten. Nu proberen we die weer terug te vinden.’

Een festival waar je de oude rituelen weer opvoert. Hoe zou dat voelen? Je gelooft er niet meer in, althans niet zoals vroeger, maar je doet het om te voelen hoe je vroeger was, hoe het vroeger moet zijn geweest, toen dit het enige was dat bestond, toen je leven er van afhing. Een kostuum waar je eens in de zoveel tijd in terugglipt, gefotografeerd door toeristen, die vertederd de verhalen aanhoren over rituelen en symbolen.

Kun je er nog wel in gaan geloven als je de alternatieven hebt gezien? Of kan dat alleen als je vervalt in een bizar extremisme, zoals de cargo cults? Word je niet volkomen moedeloos of cynisch van het heropvoeren van je oerverleden op een festivall?

Misschien zullen sommige Papoea’s gaan denken dat het oude leven ze meer geluk kan bieden dan de nieuwe relativering en gaan ze de bomen en de zee weer zien als wezens waar ze mee kunnen praten. En blijven ze leven volgens de tradities, waar familiebanden elementair zijn.

Maar waarschijnlijk beginnen ze een zaak, trekken ze overdag hun grasrokjes aan en tellen ze in Adidas-shorts hun geld als de toeristen weer op het cruiseschip zitten.

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!