Jaco Benckhuijsen

Mineas’ schipbreuk

door Jaco Benckhuijsen

Het is de tweede dag in Blanche Bay, die stille baai omgeven door vier vulkanen, en ik sta onder de lauwwarme douche. Een mug scharrelt langs de vieze muren. Niet steken jochie, ik heb nog geen zin in een dodelijke ziekte. De badkamer is zo smerig dat ik niet wist waar ik mijn kleren neer moest leggen. Maar dat hoort er allemaal bij als je gaat reizen naar de vergeten stukjes aarde.

Bij het ontbijt in die sfeerloze bar ontmoette ik Paul Tuka en Mineas Ire. Ze wonen hier langs het strand en komen langs om wat te drinken. Gisteren hadden ze me zien varen in de baai. Zoals alle mensen hier zijn ze stevig gebouwd, met dikke koppen en buiken, je zou niet zeggen dat hun voorouders duizenden kilometers zee overbrugden in kleine bootjes, zonder kompas of wat ook, om uiteindelijk aan te komen op dit eiland.

Hij werkt in de goudmijn, zegt Paul, op Lihir Island, van hieruit gezien aan de andere kant van New Ireland. ‘Zo, dus jij bent een rijke man’, grap ik, en Paul slaat me op mijn schouder van de pret. ‘No no! Maar er ligt hier wel veel goud op de bodem van de oceaan.’
‘Goud?’
‘Ja, uit de Tweede Wereldoorlog. Ze hebben flink gevochten in dit gebied. De Japanners stalen ons goud en brachten het met onderzeeërs naar huis. De Amerikanen hebben veel van die boten getorpedeerd, maar dat goud is nooit teruggevonden.’

Ik zie een grijze kolos, hij glijdt met zware dieselmotoren door het donkergroene water. Ik zie een propellorvliegtuig, een grote waterfontein, een inferno van vuur, staal en water, weerloze mensfiguren die naar de onbereikbare oppervlakte krioelen. Ik kijk uit over de baai voor ons. ‘Er liggen hier veel wrakken uit die tijd’ zegt Paul. ‘Boten, vliegtuigen.’

‘Er liggen hier veel wrakken uit die tijd’ zegt Paul. ‘Boten, vliegtuigen.’

De Japanners hadden een onderzeebootbasis hier, net buiten de baai. Ze pakten het groot aan. Diep onder water groeven ze tunnels in de rotswand, waar de onderzeeërs ongezien in konden varen. In een holte onder de berg kwamen ze boven, om onzichtbaar voor de Amerkanen hun goud in te laden.

‘Kun je hier ook buiten de baai varen?’ vraag ik. Ik ben van plan om met mijn kayak over te steken naar New Ireland, vijftig kilometer verderop, maar ik weet nog steeds niet zeker of dat kan. ‘Nee’, zeggen ze, ‘daar is de stroming te sterk, die neemt je zo mee, en de zee is er ruw’.

‘Je kunt misschien een escorteboot huren, een dinghy die je redt als het fout gaat’. Dat lijkt me niet zo aantrekkelijk. ‘Trouwens, van hier naar de Duke of York eilanden kun je wel makkelijk varen omdat de stroming aan de andere kant van de eilanden loopt.’

Wacht even. Volgens mij ontmoet ik nu mannen die me wat zinnigs over deze zee kunnen vertellen. Ik loop haastig naar mijn kamer om de kaart te halen, en op hun aanwijzingen teken ik de richting en sterkte van de stromingen er op. Mineas glijdt met een vieze vinger over het papier. ‘Je vaart eerst een stukje langs de kust naar het oosten, tot aan Cap Cap, en vandaar steek je over naar de Duke of Yorks. Dat kan makkelijk. Ik heb dat stuk eens gezwommen’.

Ik kijk hem ongelovig aan. ‘Heb jij van East New Britain naar de Duke of York eilanden gezwommen?’ Mineas ziet er niet bepaald uit als een sporter die houdt van afzien, en zeker niet van 20 kilometer zwemmen in een zee vol stroming en haaien. ‘Ja’, zegt hij. ‘Ik moest wel. Onze boot was gekapseisd. We lagen in het water en werden meegenomen door de stroming.’

Ongelofelijk. 20 kilometer in open zee. ‘Wat was er precies gebeurd?’

‘We waren een paar dagen gaan vissen ten zuiden van Cap Cap en voeren ’s morgens vroeg weer terug. Toen we rond Cap Cap waren kregen we ruwe zee en een sterke stroming. Ons bootje, volgeladen met vis, kapseisde en zonk. Met z’n zessen lagen we in het water, deinend op de hoge golven. We lagen maar een paar honderd meter uit de kust, maar de stroming was zo sterk dat we daar niet konden komen. We werden juist verder de zee op gedreven en konden niet veel anders dan meezwemmen. Op een gegeven moment zagen we in de verte de Duke of Yorks liggen, dus probeerden we daar naar toe te komen. Twaalf uur lagen we in het water. Van half zes ’s morgens tot half zes ‘s avonds. De stroming kwam soms uit het zuiden, soms weer uit het westen of het oosten en daardoor bewoog het eiland ook heen en weer, soms lag het links van ons, soms rechts.’
‘Maar was je niet bang?’ Ik zie zes donkere koppen in een oneindige zee, grijs, ik voel dorst, kramp, de invallende nacht.. Mineas haalt zijn schouders op.

In mijn land zijn de mensen geobsedeerd door veiligheid, waardoor ze veranderen in angstige, hulpeloze en kleinzerige wezens. Maar dit is wel het andere uiterste.

‘Ja, je was bang’, lacht de vrouw die erbij is komen zitten. Ze is Paul’s nieuwe vriendin en gaat Paul vandaag aan haar familie voorstellen. ‘Hij heeft heel veel geluk gehad die dag’. Mineas knikt met zijn woest behaarde hoofd. ‘Tegen de tijd dat het donker werd kwamen we aan op een van de eilanden. Toen waren we gered.‘ ‘Alle zes?’ ‘Alle zes.’ Paul beaamt het. Ook bij het eiland waar hij werkt staat een sterke stroming, die wringt zich tussen de eilanden door naar de open oceaan. Verderop is er niks meer. ‘Als een dinghy daar zonder brandstof komt te zitten drijft-ie zo naar het noordoosten, de oceaan op. Ze gaan altijd meteen op die verre zee zoeken als er een boot vermist wordt’. ‘Gebeurt dat dan vaak, dat ze zonder brandstof komen te zitten?’ ‘O ja’, zegt Paul, ‘heel vaak’.

Het tekent de achteloosheid waarmee mensen hier met risico’s omgaan. In mijn land zijn de mensen geobsedeerd door veiligheid, waardoor ze veranderen in angstige, hulpeloze en kleinzerige wezens. Maar dit is wel het andere uiterste. De zee opvaren zonder te kijken hoeveel benzine er in de tank zit. Waarschijnlijk omdat je toch geen geld hebt om extra te kopen.

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!