Jaco Benckhuijsen

Onbekenden in de nacht

door Jaco Benckhuijsen

Na uren geraas valt de buitenboordmotor stil. De boot glijdt in het donker aan land. Er wordt weer gepraat. We stappen allemaal over het boord, in het enkeldiepe water: een paar mannen en vrouwen, en de jongens die de boot besturen. Het zijn allemaal volslagen vreemden voor me.

Pakketten, tassen en dozen worden uitgeladen. Ik heb weinig spullen bij me, dus ik licht ze bij met mijn zaklamp. Verderop tussen de donkere bomen, waar je de krekels hoort, moet het dorp liggen.

Ik heb geen flauw idee waar ik ben. Hoe het er hier uitziet kan ik ook niet zien. Het lantaarnlicht komt niet verder dan een steenachtig onverhard plein, waarop nu een grote gele tractor met een kar komt aangereden. Vincent, de schipper, een jongen van ergens in de twintig, heeft me aangeboden om bij hem te overnachten. Ik vertelde hem dat ik de broer van Rona wil opzoeken in het dorpje Wamira no. 2. Maar Vincent zag dat niet zitten. Die dorpen blijken niet veel meer dan een verzameling afgelegen hutten in het bos. ‘Als we jou daar nu aan de kust afzetten zul je die man nooit vinden. Het is pikdonker en je zult geen mensen zien. Kom bij ons slapen.’
Veel keus had ik niet.

Ik ken niemand hier, spreek hun taal niet, en ik weet niet waar ik ben.

Een jongen in tweedehands sportkleren bindt een touw aan de kar en zo trekken ze de boot het land op. ‘We rijden met de tractor naar huis’, zegt Vincent, ‘ga maar vast op de kar zitten’. Ik klim op die vierkante lage kar met bemodderde wielen. Ik ben op mijn hoede. Ik ben hier echt op mezelf aangewezen. Ken niemand hier, spreek hun taal niet, en ik weet niet waar ik ben.
Behalve ikzelf gaan er nog een stuk of zes knullen op de kar zitten. Stevige jongens met vuile korte broeken, de mond rood van de betelnoten, kale hoofden, mutsjes en gespierde armen. Ze praten wat en lachen in het halfdonker. Hangen met hun benen over de rand, roken een sigaret uit krantenpapier. Met deze gasten rijd ik straks de donkere jungle in, naar een onbekende plek.

Ik moet, bedenk ik me ineens, proberen te zorgen dat ik geen vreemde voor ze ben. Het is altijd moeilijker iemand iets aan te doen of in de steek te laten als je net een aangenaam gesprek met hem hebt gehad. Ze moeten me als compaan gaan zien, als vriend.
‘Is die tractor van jullie?’ Probeer ik.
‘Yes’, zeggen ze. ‘We hebben hem in Alotau gekocht.’
Alotau? Dat is drie uur varen met de speedboot, en nog eens drie uur hobbelen over de junglebergen.
‘Hoe hebben jullie dat ding hier gekregen?’
‘We hebben hem helemaal uit elkaar gehaald en in stukjes hier naar toe gebracht. Daarna hebben we hem weer in elkaar gezet.‘
‘I’m impressed. En die kar dan?’ ‘Die hebben we zelf gemaakt.’

Dat moeten inventieve gasten zijn. Ik stel me aan ze voor, geef ze allemaal een stevige hand en bied ze een biskwietje aan. Het begin is er.

De tractormotor staat al een tijd de draaien, maar nog steeds vertrekken we niet. Waar wachten we toch op? Deze jongens zijn vanmorgen om vier uur weggevaren en het is nu half elf ’s avonds. En ze zitten lekker te niksen op de wagen.

Donkere verplegers komen aangelopen met een brancard, en schuiven die op de kar naast het meisje.

Dan kom ik erachter dat ze wachten op een ander bootje, dat net aanmeert. In het schijnsel van de zaklampen zie ik mensen in het water stappen en de boot naar de kant trekken. Eén figuur blijft vreemd stil zitten in de boot. Zou die invalide zijn? En ja, even later wordt ze door vijf mensen uit de boot getild. Het is een jonge vrouw met een blauwige rok en een oranje t-shirt. Ze beweegt niet, maar leeft wel zo te zien. Ze wordt naar de kar gedragen en voorzichtig op de geribbelde stalen bodem gelegd. Haar moeder hurkt neer bij haar hoofd en houdt het vast. ‘We brengen haar naar het hospitaal. Ze komt uit een dorpje verderop.’ Iemand heeft haar te grazen genomen, begrijp ik. Even later stapt iedereen op de kar en rijdt de trekker het pad van gelige klei op.

Het is een onwerkelijk gezicht. Zaklampen, haveloze jongens op de kar, overhangende boomtakken in een gelig schijnsel, een roerloos lichaam. Hoewel het meisje met veel zorg op de kar is gelegd, kwekt iedereen onbekommerd verder. Het pad gaat steil omhoog, een bocht door. ‘Dit is de kathedraal, en daarachter is het hospitaal’. Inderdaad staat er hier een enorme witte stenen kerk, zo uit Europa overgevlogen, en daarachter een barak vanwaaruit TL-licht op de modderweg valt. Hier stopt de tractor.

Donkere verplegers komen aangelopen met een brancard, en schuiven die op de kar naast het meisje. Het gebeurt met zorgzame en voorzichtige handen. ‘Wat was er precies gebeurd?’ vraag ik. ‘Domestic violence’, lachen de jongens. ‘Ze had iets met een getrouwde man. Zijn vrouw betrapte haar. Die heeft toen een fles op haar hoofd kapotgeslagen en met de scherven haar buik en armen bewerkt. Nu heeft ze snijwonden in haar lichaam. Maar ze redt het wel.’

‘Ai ai’, zeg ik, ‘ja jaloezie, daar kun je goed kwaad van worden.’ Yurait, lachen de jongens. Het lijken me eigenlijk hele goede gasten. Kijk hoe ze met elkaar omgaan. Ze zijn stevig gebouwd maar ze giechelen en kijken goeiig uit hun ogen. Ze moeten elkaar goed kennen want ze lijken elkaar steeds te plagen. Volgens mij kan ik ze vertrouwen.

De karavaan komt weer in beweging. We rijden het dorp uit. ‘Waar wonen jullie precies?’
‘Daar verderop, op het land’, zegt Vincent en hij zwaait met zijn arm over de donkere velden. De weg is hier hol, met steile wanden, we hobbelen over een soort droge rivierbedding. ‘Hier is een stuk van de weg weggespoeld, we hebben toen zelf een nieuwe weg gegraven’, zegt een andere jongen, die naast me zit en af en toe tegen me aan stoot door het schommelen van de kar.
‘Ok. Wat goed. Hoe heet je eigenlijk?’
‘Nathan. Ik ben de neef van Vincent.’
Aangenaam, Nathan. Ik begin me hier heel goed te voelen.

Niet veel later komen we aan op het land van Vincent’s familie. Voorzover ik kan zien is het een vlak open veld met kort gras, niet beschut door bomen of hellingen, met een houten huisje, en een traditioneel gebouwde hut uit bush material.
‘Deze hut is onze keuken. Hier hangen we altijd rond. We slapen ook meestal hier. Waar wil je slapen, in het huis of hier?’
Dat is niet moeilijk. ’Ik wil graag in jullie hut slapen’.
‘Prima’, zegt Vincent, ‘ik slaap er ook, en Noah ook’.

De jongens stoken het vuur op en rommelen met grote oude pannen. Ik kijk de hut rond. Het dak is van gedroogd gras of lange bladeren. De muren zijn van gevlochten materiaal, halfhoog, zodat de verkoelende wind erdoor kan wervelen. Vooraan is een portaaltje met een van takken gemaakt aanrecht. Op de vloer van gruis ligt een ring van zwartgeblakerde stenen. ‘Hier maken we ons eten. Heb je nog honger?’ Achterin een verhoogde vloer op palen. Daar ligt een grote berg spullen en wat matrassen. Ik ga op die verhoging zittten.

Deze jongens, op dat kale stuk land in hun zelfgebouwde hut, ze zijn gewoon verdomde clever en ontwikkkeld.

Steeds zie ik andere jongens in en uit lopen en wat doen met het vuur, de lamp of het eten. Ik schat ze allemaal tussen de zestien en de dertig. Zodra er een nieuw gezicht binnenkomt springt Vincent op en stelt hem aan me voor: Nathan. Glenn. Ian. Fargo. Ramona, Vincent’s zusje. Door al die korte ontmoetingen kom ik erachter wat voor jongens het zijn: Sterk, positief, bescheiden. Met humor. Zittend op de verhoging begin ik me op mijn gemak te voelen. Mijn kleren drogen langzaam op. Voorin de hut het gelige gloed van het vuur. Daarnaast het koude blauwe licht van een ledlamp. Vincent prutst wat met draadjes en een accu, en even later horen we Bob Marley, en Steely Dan. In de zwartgeblakerde ketel begint het water te koken. Een van de jongens pakt een blauwe gitaar en speelt het baslijntje mee: Stir it up. Hij speelt goed.
‘Waar heb je gitaar leren spelen?’
‘Van mijn neef. En we luisteren goed naar de muziek en dan spelen we mee.’
Zo te zien hebben ze een gebroken snaar weer aan elkaar gelast. Deze jongens, op dat kale stuk land in hun zelfgebouwde hut, ze zijn gewoon verdomde clever en ontwikkkeld.

Het duurt lang voordat het eten klaar is. Ik ben moe, de jetlag zeurt nog steeds in mijn lijf. Maar dan, midden in de nacht, krijg ik een bord dampend eten toegestopt: Een schep rijst, een paar yam-knollen gekookt in kokosmelk, gebakken bananen, noedelsoep met groenten en tonijn. Het smaakt goed. Maar ik ben blij als Vincent aankondigt dat hij mijn bed gaat klaarmaken. Ik kijk naar de open muren waardoor het gortdroge gerasp van krekels en kraaien naar binnen waait en denk aan de malariamuggen.
‘Zitten hier veel muggen?’
‘Geen muggen hier, niet in deze tijd van het jaar.’

Die onbezorgde en twijfelloze toon staat me aan. Vincent en Nathan leggen een haveloos matras voor me neer en rollen links en rechts van me hun kokosmatjes uit. Zonder zich om te kleden gaan ze liggen en vallen meteen in slaap.

Ik moet nog naar de WC. Er stond buiten ergens een houten hokje. Met de zaklamp vind ik het, aan het einde van het veld. Een stuk golfmetaal is schuin tegen de opening gezet. Ik schijn naar binnen. Kakkerlakken glimmen in het licht, kruipen verschrikt weg, de WC-bril door, het duistere gat in. En naast mijn voet zoekt een pad zo groot als een vuist een weg naar buiten, naar het hoge natte gras. Als alle beesten verdwenen zijn ga ik naar binnen. Dan loop ik over het grasveld terug, onder de stille hemel, met een onwaarschijnlijke ophoping van sterren.

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!