Jaco Benckhuijsen

Rauw weer

door Jaco Benckhuijsen

Ik had er met veel locals over gepraat. De oversteek maken naar New Ireland, dat langgerekte eiland dat ik steeds als een vage schim aan de horizon had zien liggen. Meestal keken ze dan moeilijk. ‘De zee is daar heel ruw en je hebt er veel stroming.’

Maar die norse leegte en die grijze streep daarachter lieten me niet los. Een afgelegen eiland bij een afgelegen eiland in een afgelegen land.. en ik had het gevoel dat het toch moest kunnen. Mijn kayak is een ander soort boot dan de kano van de Papoea’s. Hij is gebouwd voor ruw water.

Nu peddel ik dan eindelijk dat wijde stuk zee op. De boot maakt zich langzaam los uit de veilige omhelzing van de eilanden, en de laatste motorbootjes verdwijnen uit het zicht. Voor het eerst sinds dagen ben ik weer alleen, bedenk ik me. Je hoort alleen nog het plonzen van mijn peddel in het water. Ik zoek een tempo dat ik lang vol kan houden: stevig, maar iets ingehouden. Het weer is hier goed en de zee speels. New Ireland is gehuld in wolkensluiers, zo te zien is het weer daar niet al te best. We zullen zien.

Wie zal ik in New Ireland ontmoeten? Het schijnt een van de meest primitieve gebieden van Papoea-Nieuw-Guinea te zijn.

Ik denk terug aan de dagen in Nakurkur. Herinneringen komen in duizend scherven naar boven, zweven kort door mijn bewustzijn en vallen in een andere samenstelling weer terug. De kleuren van het woud en de haveloze jurken, de geuren van de vochtige hutten, de klanken van die vreemde taal, alleen verstaanbaar door de zevenhonderd mensen van Nakurkur, het deinen van de zee bij het zwemmen, het blonde kroeshaar van de kinderen. Ja, in Melanesië hebben veel kinderen van nature blond haar.

Om mijn nek hangt een dun koordje met een schelp, vastgeknoopt door Jackson. Tami gaf me een rietstengel met schelpengeld, opgerold en versierd met witte donsveertjes. Junior had een handvol prachtige schelpen voor me opgedoken.

Wie zal ik in New Ireland ontmoeten? Het schijnt een van de meest primitieve gebieden van Papoea-Nieuw-Guinea te zijn. Er liggen vast weer kleine nederzettingen aan zee. Maar het ziet er bergachtiger uit dan de platte eilanden waar ik vandaan kom. Best kans dat grote delen van de kust onbewoond zijn.

Kayakken op het grote water is een goede oefening voor je geduld. Als ik na een half uur varen omkijk liggen de eilanden er nog steeds helder en groen bij. En de overkant lijkt net zo ver en vaag als in het begin.

En hoe diep zou de zee hier zijn? Een paar kilometer? Een stille reis van de weke onderkant van mijn boot tot in de kille diepte, waar het licht nooit komt en de waterdruk vernietigend is. Alles is hier onvoorstelbaar groot en ik ben alleen. Ik kijk om me heen. Er zitten weinig zeekrokodillen rond de eilanden, maar Tami zei dat ze op New Ireland hier en daar in de riviermondingen wonen. Haaien zitten hier overal.

De wind neemt langzaam toe en begint de golven vanuit het oosten hoger op te stuwen. Ik moet flink werken om de kayak op koers te houden, ik richt de boeg steeds op een vrij willekeurig gekozen rand in de vage bergkam voor me.

Hoe makkelijk zou je een krokodil kunnen herkennen in zee? Meestal zie je het van ver als er iets in het water ligt. Maar wat doe ik als ik er inderdaad een tegenkom? Hard weg peddelen is er in dit water niet bij. Ach. Zo groot zal de kans niet zijn. En àls er zo’n beest op me afkomt zal ik het hem zo moeilijk mogelijk maken, en mijn huid tenminste zo duur te verkopen als die van de krokodil zelf.

Langzaam moet ik toch vorderingen maken. Ik kijk achterom. De eilanden achter me zien er wat fletser uit, maar nog lang niet zo vaag als New Ireland vóór me. Nog niet op de helft dus. Maar al wel ergens in het midden van de zeestraat, ik merk het aan de golven. Tot vier meter hoog komen ze uit het oosten op me afrollen, honderden meters breed. Ergens ver weg, diep in de oceaan, bouwen ze hun krachten op, stuwen die honderden mijlen door de zee en tillen de hele watervlakte een paar meter omhoog. Alles is hier eigenlijk groter dan ik kan bevatten. Ik denk aan de reuzengolven waarmee ik voor de kust van Noord-IJsland te maken had, of die in de Middellandse Zee, door de mistral opgestuwd.

De zon verdwijnt achter de wolken, waardoor de zee er grijzer in onvriendelijker uit gaat zien. Maar het brengt tenminste wat verkoeling.

Hoe dan ook, ik moet doorvaren, al worden mijn armen moe en komt dat verre eiland maar niet dichterbij. Steeds weer die klap van de golven.

Toch is het gek dat het zoveel moeite kost om de boot op koers te houden. Na drie slagen is de boeg weer naar stuurboord gedreven, tegen de golven in. En moet ik flink aan de peddel trekken om hem weer op dat punt te richten, ver weg op de bergkam van New Ireland.

Misschien komt het door de stroming. Maar dat zou wel vreemd zijn. Rod en Paul en Tami zeiden allemaal verschillende dingen, maar over één ding waren ze het eens: de stroming loopt van oost naar west. Op die manier zou ik meedrijven in de richting waar ik uiteindelijk uit wil komen: Kavieng, op de westpunt van New Ireland, tweehonderd kilometer verderop. Maar de zee is koppig; hoe ik ook naar het westen stuur, ik blijf naar het oosten drijven.

Misschien stroomt het water andersom op dit uur. Dat zou kunnen. Dat zou ook verklaren waarom de golven zo woelig zijn: de wind die tegen de stroming in waait.

Hoe dan ook, ik moet doorvaren, al worden mijn armen moe en komt dat verre eiland maar niet dichterbij. Steeds weer die klap van de golven. Mijn lijf begint te roepen, uit frustratie, of vechtlust, of allebei.

Rustig blijven. Ik kijk naar de felgekleurde visjes die, gedragen door de wind, meters ver over de golven scheren en weer verdwijnen in de grijze zee. Zij voelen zich hier op hun gemak.

Het begint te regenen. De druppels vermengen zich met het spatwater uit de zee en druipen over mijn lijf. De lucht wordt dikker en neveliger. New Ireland, waarvan ik eerst de boomtoppen al kon zien, lijkt verder weg dan ooit. Hoe lang zou het nog zijn? Ik ben nu al meer dan drie uur onderweg, mijn armen zijn moe en doen pijn, en de zee wordt er alleen maar heftiger op.

Dorst. Even leg ik de peddel neer, drink wat water uit mijn veldfles en eet een droog biscuitje. Meteen draait de boot uit koers. Ik kan niet lang stil blijven liggen.

Ik peddel weer verder, een eindeloos herhaalde beweging, iedere keer het zacht tegenstribbelende water, ik schraap me over de golven naar het verre land, het verdooft me.

Het lijkt alsof lucht en water het harder spelen naarmate ik dichter bij het nieuwe land kom. De wind blaast de regendruppels hard tegen me aan, ze voelen als hagelstenen en kletteren op mijn peddelbladen.

Alert blijven. Hoe moe je ook bent, blijf om je heen kijken. Als er inderdaad zo’n beest je kayak kapotbijt of een hap uit je arm neemt is het allemaal afgelopen. Kayak zinkt, bloed trekt haaien aan. Niet aan denken.

Het lijkt alsof lucht en water het harder spelen naarmate ik dichter bij het nieuwe land kom. De wind blaast de regendruppels hard tegen me aan, ze voelen als hagelstenen en kletteren op mijn peddelbladen. Golftoppen beginnen over te slaan en plenzen over het dek. Soms blaast de wind bijna de peddel uit mijn rimpelige, doorweekte handen. Mijn armen malen door, links, rechts, corrigeren. Een eindeloos gevecht, en we zijn allebei even koppig, de zee en ik.

Ik vaar door een loden zee. Het is alsof de eilandbewoners bij het wegvaren een dode walvis aan mijn boot hebben gebonden. En New Ireland, het lijkt wel op en neer te gaan, weg te dansen en weer terug te komen. New Ireland! Blijf je altijd die dansende streep daar, altijd aan de horizon, dichtbij en ver weg, zoals mijn eigen dood, en los ik straks op in het niks, voordat ik je ooit bereik? Hoe lang laat je me nog peddelen, New Ireland, die belachelijk kleine schepjes water die ik met krachteloze armen naar achter duw? En de zee, die roerige massa waar ik op drijf, dat wankele houvast, het enige dat me in leven houdt, New Ireland, moet ik altijd door die zee heen blijven ploeteren, in het vale licht, tussen de mistflarden, alleen om te kunnen weten dat ik ploeter, dat ik naar je toedrijf, om te weten dat ik nooit zal weten of ik aan zal komen?

Het eiland danst zijn dodendans, vage boomtoppen veranderen in kromme klauwen, gebogen in de wind, maar de mistsluiers wissen alles weer uit en laten me alleen met de grijze golven. Een slanke zwarte meeuw scheert over het water, later nog een, water stroomt over mijn lijf, zweet vermengd met regenwater. New Ireland, als je echt dichterbij komt, laat het me dan zien, teken op je kustlijn de streepjes van donkere boomstammen, stuur me een landvogel, duik niet meer weg achter die wolkenflarden, laat me zien hoe je de golven kapotbreekt en langzaam in wolken wit schuim laat neervallen.

En ineens hoor ik iets nieuws. Misschien was het er al eerder, maar het dringt nu tot me door. Het is niet meer stil tussen de plonzen van de peddel en het omslaan van de golven: er klinkt een zacht geruis, als de achtergrondstraling van het heelal. Het is geruis van de branding. En de mist breekt en de boomtoppen kleuren van grijs naar groen. En het donkere water licht op tot het allerlichtste blauw, onder me zie ik rotsblokken voorbij schieten.

Ineens is de traagheid van de zee verdwenen en holt het eiland mee met mijn peddelslagen. In de ondiepte pakken de golven mijn boot en trekken hem zacht naar het eiland toe.

Ik ben er. Ik ben erdoor.

Ik leg mijn peddel neer. Wiebel mijn heupen heen en weer om wat gevoel in mijn onderlichaam te krijgen. Een doorweekt biscuitje en wat water. Ik voel me te slap om door de branding te varen; eerst maar wat dobberen en bijkomen. De zee is hier blauwgroen en rustig. Alleen een zachte warme regen.

Waar kan ik aan land? Ik kijk naar het strand. Een roerloze jungle staart me aan. Dicht gebladerte. Vogelgeluiden en krekels. Maar geen spoor van mensen.

Daarachter lijkt een open terrein te liggen. Een moeras met krokodillen? Of een dorpje?

Ik vaar langzaam een stukje in de richting van het dal, laat mijn boot uitdrijven en kijk naar de bosrand. Daarachter lijkt een open terrein te liggen. Een krokodillenmoeras? Of een dorpje? Is iedereen in het dorp soms aan het schuilen voor de regen? Nee, dan moeten er kano’s op het strand liggen. Ik keer de boot om en peddel verder, in de richting van de berg. Veel energie heb ik niet meer. Traag en moeizaam trek ik de boot langs het zwijgende groen.

Maar daar zie ik ineens een kano, verscholen in de bosrand. Ik roep. Gil. Vaar de branding in en tuur naar een gat in het struikgewas. Daar beweegt iets. Een gezicht. Ik zwaai. Er wordt teruggezwaaid. Drie mannen rennen het strand op. Ik peddel mijn kayak zo hard ik kan door de branding. Het rubber schuurt tegen de kiezels. De golven doen mijn boot omkiepen. Twee mannen grijpen hem vast. Ik maak mijn zeil los en klim uit de boot.

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!