Jaco Benckhuijsen

Schieten op Oost-Timor

door Jaco Benckhuijsen

‘Pjt’, zegt Winston, en doet alsof-ie de trekker van een geweer overhaalt. ‘Dat deden we als ze op ons schoten’.

De Indonesiërs op Oost-Timor. Sinds een paar minuten begrijp ik waarom er sjaaltjes met ‘Timor Leste’ in zijn bar hangen, de nieuwe naam van het sinds 2002 zelfstandige land. Tijdens zijn zes jaar in het Australische leger zat Winston voornamelijk op Oost-Timor. De Australiërs leidden een VN-vredesmacht die de strijdende partijen uit elkaar moest houden.

Hoewel Winston, half Melanesiër, half Australiër, nu veel te zwaar is kun je zien dat hij een sportief en stevig lijf heeft, en uit zijn gezicht en woorden spreken de agressie van een koppige soldaat. ‘Vroeger was hij net zo slank als jij’, zegt Lilian tegen me, ‘Maar nu ben je echt te dik Winston’. Hij is inderdaad vet, zelfs aan zijn kont hangt een dikke laag spek, wat zijn gevaarlijke uiterlijk een koddige touch geeft.

Het gaat niet goed met Winston. Hij is doodmoe van het opzetten van zijn guest house, zegt hij. Maar ik weet zeker dat hij ook doodmoe is van zijn zorgen, gebrek aan vertrouwen, zijn cynisme. Hij zit ingeklemd tussen twee culturen en worstelt daar mee. Hij wil niet zijn zoals de eilandbewoners hier, hij wil een zakenman zijn, zoals de Australiërs, maar de Australiërs moeten hem niet. De enige plek waar ze hem wilden hebben was het leger. Nu hij weer terug is, is dit pension zijn enige hoop op een beter leven. Maar hij heeft er duidelijk geen gevoel voor, en het pension loopt niet goed.

Winston steekt een nieuwe sigaret op, trekt een nieuw biertje open. Omdat het zo duidelijk is dat zo’n pension eigenlijk niks voor hem is, zeg ik voorzichtig dat hij ook de mogelijkheid open moet houden om er mee te stoppen als het echt niet werkt.
‘Ophouden? Nooit. Ik ben militair geweest en die geven nooit op.’ Hij haalt ruw aan zijn sigaret.
‘Maar is het soms misschien niet slimmer om je terug te trekken, als je ziet dat het geen zin heeft om door te gaan? Tactisch terugtrekken, als het ware?’

Hij wil niet zijn zoals de eilandbewoners hier, hij wil een zakenman zijn, zoals de Australiërs, maar de Australiërs moeten hem niet.

Dat gaat er moeilijk bij hem in. Zijn trots en koppigheid zijn samengesmolten tot één klont.
’Nee hoor. Ik heb in het leger geleerd om dóór te gaan, altijd door te gaan. Bij een oefening moest ik een keer spullen dragen naar vooruitgeschoven posten in het terrein. In de brandende hitte holde ik door het zand met mitrailleurs, munitie, granaten. Ik droogde uit, kreeg kramp, maar ik moest door, kreeg steeds nieuwe opdrachten van mijn officieren, in de hitte en het zand.

‘Ineens zag ik een groot helder meer. Ik liet alle spullen vallen en rende er naar toe, knielde en graaide in het zand. Ik draaide helemaal door. Mijn meerderen lieten een brancard komen, maar ik moest wel eerst die granaten wegbrengen. Dus dan leer je wel wat volhouden is.’

Ach Winston, met je koppigheid. Denk je dat veranderen van strategie hetzelfde is als opgeven? Je verwart je doel met je middel, en vecht je vervolgens half dood. Ik vertel hem dat ik daar ook ben geweest, waar hij nu is, omdat stoppen voelde als laf opgeven. Maar dat ik het volgens mij nu snap als het leven iets anders met me van plan is.

Lilan stoot me aan onder tafel. ‘Goed gezegd. Ik zeg het ook altijd tegen hem, maar van jou neemt hij het misschien aan.’
Misschien. Misschien omdat ik ook in het leger heb gezeten of omdat ik over een paar dagen alleen naar New Ireland ga kayakken.

‘Wat deed je eigenlijk precies in Oost-Timor?, vraag ik. Ik ken de onafhankelijkheidsstrijd wel, maar wist niet dat Australië er ook bij betrokken was.
‘We waren een peace-keeping force. We hielpen de Timorezen. Beschermden ze tegen de Indonesiërs. Ze zaten overal. We kwamen in vuurgevechten terecht’.
‘Waarom hielpen de Australiërs de Timorezen bij hun onafhankelijkheid?’
‘Dat moet je mij niet vragen. Dat was een besluit van de regering. Ik ben gewoon soldaat en doe wat ik moet doen. Een soldaat heeft geen mening, hij maakt de klus af. Pjt.’
‘Dus jij hebt mensen gedood?’
‘Ik weet niet of ik ook Indonesiërs gedood heb. Iedereen schiet. Ik ook. Dus als je lijken ziet weet je nooit wie dat precies gedaan heeft.’

Nu ik tegenover een man zit die op onbekenden heeft geschoten kan ik iets vragen wat ik altijd al wilde weten.
‘Jij hebt dus op Indonesiërs geschoten, Winston. Misschien heb je er ook een paar gedood. Maar ik neem aan dat je ze niet haatte of zo, toen je op Oost-Timor aankwam. Hoe kom je dan uiteindelijk zover dat je je geweer pakt, op die mensen richt en schiet? Of is dat geen haat, maar eerder onverschilligheid?

Winston steekt nog een sigaret op. ‘Nee, ik haat de Indonesiërs niet. Ik haat niemand. Als ik er vandaag één zou tegenkomen zou ik hem vriendelijk behandelen. Maar weet je wanneer je ze gaat haten? Als je hun kogels om je kop hoort fluiten. Man, dan ga je ze haten.’

‘Maar weet je wanneer je ze gaat haten? Als je hun kogels om je kop hoort fluiten. Man, dan ga je ze haten.’

Juist. Doodsangst. En getergde waardigheid:

‘Ze wisten dat wij Code Oranje hadden; alleen schieten als er een wapen op ons gericht werd. Ze wisten dat. Gingen ze pesterig voor ons staan met hun geweerlopen boven ons hoofd gericht. En schieten. Ik keek ze aan en zei: jongen, als jij die loop één keer op mij richt schiet ik je he-le-maal overhoop. Pjt.’

De woede spat van zijn vette gezicht. Woede over zijn treiteraars, woede over de Australiërs die hem niet voor vol aanzagen, woede over zijn zaak die maar niet van de grond komt, woede over de corrupte Papoea’s die hem niet willen helpen, woede misschien omdat zijn Australische vader negentien jaar geleden overleed, een paar dagen voordat de vulkaan uitbarstte en het dorp Rabaul bedekte met een dikke laag loodzware as. En hem daar achterliet, bij zijn analfabete moeder.

‘Weet je hoe je kunt horen of een kogel echt gevaarlijk is? Als hij ratelt terwijl-ie voorbij vliegt is hij te verzwakt. Maar als hij fluit, dan kan hij je doden. Ja. Dan ga je ze haten.’

‘Ik ben deze week voor het eerst weer bij de rugbytraining geweest. Even er tussenuit. Dat voelde goed. Ik moet gewoon wat tijd voor mezelf hebben, dan komt het goed.’

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!