Jaco Benckhuijsen

Stenen bijl

door Jaco Benckhuijsen

Ik zag ooit een filmpje waarin een prehistorische vuistbijl werd vergeleken met een computermuis. De gelijkenis was indrukwekkend: allebei even groot, even rond en glad, een beetje langwerpig, wachtend op een hand om om heen te slaan.

Het filmpje ging trouwens niet over gebruiksvoorwerpen die al tienduizenden jaren steeds dezelfde vorm krijgen, maar het liet zien dat de muis het resultaat was van een steeds verdergaande samenwerking door de mensheid. Een vuistbijl werd door één persoon gemaakt en gebruikt, terwijl in een computermuis al gauw het werk van duizenden mensen verborgen ligt: ontwerpers, mijnwerkers, chauffeurs, uitvinders, fabrieksarbeiders, modellen.

Ik weet niet wie de stenen bijl heeft gemaakt die nu in mijn hand ligt. Maar ik voel me alsof ik die maker begrijp en ken.

Ik weet niet wie de stenen bijl heeft gemaakt die nu in mijn hand ligt. Maar ik voel me alsof ik die maker ken en begrijp. En bijzonderder nog, door het gewicht van de steen voel ik de hand van de man die diep in de tijd, diep in het oerwoud, dit ding heeft gemaakt en gebruikt. Hoe lang geleden? Vijftig jaar, honderd jaar, vijfhonderd jaar? Bijna alles is hier prehistorisch. Werkelijk alles wat de Papoea’s in de afgelopen 60.000 jaar op dit eiland gedaan hebben is weggerot.

De steen voelt prettig zwaar aan en hij is van mij. Paul Toveradi heeft hem net in mijn hand gelegd: glad, langwerpig, grijsgroen en verweerd.

Ze gebruikten hem in de tijd dat ze nog geen metalen bijlen hadden, zegt Paul. De eerste spullen van metaal werden 500 jaar geleden door Maleisiërs hierheen gebracht.

Paul heeft hem aan me gegeven omdat we samen muziek gemaakt hebben, ik met mijn mondharmonica en hij met zijn gitaar. Steeds opnieuw speelden we, op dat stoffige plekje voor de hutten, country songs, liedjes van deze streek, liedjes van de Solomon eilanden, kerstliederen, en Skippy de kangoeroe. Paul genoot ervan, hij wilde steeds weer spelen. Als ik terugkwam van een wandeling zat hij alweer klaar voor de hut met zijn gitaar, zijn kale kop en troebele ogen. En om ons heen steeds een groepje mensen, knollen snijdend, giechelend, starend, slapend.

Werkelijk alles wat de Papoea’s in de afgelopen 60.000 jaar op dit eiland gedaan hebben is weggerot.

Ik vond vuistbijlen altijd al fascinerend. De steen, door een mens opgeraapt. Slijpen. Stof wegblazen en turen naar de vorm. In de hand nemen, voelen, goedkeuren. En dan hakken en slaan, in het levende hout en het dode vlees, oneindig vaak. De eerste stap naar de computermuis. Dan wordt ie verloren of vergeten. Zakt langzaam weg in de bosbodem, tot hij in een andere tijd weer boven komt drijven. Paul Toveradi zag hem liggen en raapte hem op.

Maar dat ik er nu een krijg brengt me meer. Het gewicht van de steen straalt in mijn hand, en van de steen naar een diep verleden, naar het groene woud hier om me heen, naar de man die met deze bijl twee, drie of vier weken tegen een boomstam sloeg, net zo lang tot die omviel. Daarna de takken eraf sloeg en de boom uitholde tot een kano.

Deze verweerde steen, groen als de jungle waarin ze zoveel jaren heeft gelegen, simpel maar zo schitterend vormgegeven.
Hoe zal dat gaan later? Graaien er dan vingers door het oude gruis, zoekend naar dat gekke ding, wat is dat toch, hee, dat lijkt wel zo’n heel oud gebruiksvoorwerp, hoe heet dat ook al weer, een computermuis.

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!