Jaco Benckhuijsen

Van Pigeon-eiland naar de Duke of York-eilanden

door Jaco Benckhuijsen

Hoewel er maar één Pigeon Island op mijn kaart staat, zijn er eigenlijk twee: Klein en Groot Pigeon eiland. Klein Pigeon Eiland is onbewoond en ziet er uit zoals in een film: een rond bolletje felgroene jungle en daaromheen een witte strook zand, omgeven door lichtblauw water.

Een kilometer verderop ligt het langwerpige Groot Pigeon Eiland. Hier wonen een stuk of vier families. Het ligt midden in zee, halverwege de oversteek naar de Duke of Yorks, en terwijl ik door het ondiepe koraal laveer, met felblauwe visjes en zeesterren die onder me door schieten, word ik opgemerkt door de bewoners op het strand. Hun nederzetting ziet er zo wonderschoon uit dat ik even aan land ga. Ik stap uit en schud ze allemaal de hand: de oudere man, de jongen, het kleine meisje en de oudere vrouw. De man heet Roland.

Tussen de bomen die de huizen scheiden van het strand hangen blauwe en oranje visnetten als kleurige vitrages te drogen. Op de platte zandvlakte daarachter staan twee lage rieten hutten, eromheen bomen met donkere takken en grote witgele bloemen. Kinderen spelen met de fel beschilderde kano’s. Dit kleurenparadijs wordt omgeven door een kleurloze, nevelige zee.

De zee is inderdaad onrustig hier. De wind stuwt het water van kilometers ver op en perst het tussen de eilanden. Felle golven duwen me naar voren en zuigen me weer terug.

Ik aarzel even of ik op Pigeon Island zal overnachten. De mensen hier zijn gastvrij en de zeestraat voor me ziet er woelig uit. Over een uur of vier is het donker. Maar ik heb echt nog te weinig gevaren vandaag. Verderop zie ik het eerste eiland van de Duke of Yorks liggen. Ik besluit de gok te nemen en peddel verder naar het noordoosten.

De zee is inderdaad onrustig hier. De wind stuwt het water van kilometers ver op en perst het tussen de eilanden. Felle golven duwen me naar voren en zuigen me weer terug, soms met het gulpende geluid van een overslaande top.

Ineens voelt alles om me heen grimmiger. De zon verdwijnt en de golven verliezen hun vriendelijke blauwe kleur. Ook het eiland voor me, daarnet nog groen, verzinkt tot een donkere schim.

Het wordt een pittig gevecht. In het midden van de zeestraat worden de golven heftiger, als loden tapijten komen ze op me af rollen, huizenhoog en honderden meters breed, ze tillen me op en jagen onder me door.

De lucht wordt donkerder. En ineens hoor ik een donderklap links van me. Gelukkig staat de wind de andere kant op. Hoe ver zou het nog zijn tot het eiland? Minstens twee uur, denk ik. Ik hoop alleen dat er aan dat uiterste randje van de eilandengroep een slaapplek te vinden is. Vanuit de verte zie ik geen sporen van bewoning.

Als ik dichter bij het eiland ben schiet er een bliksemflits recht uit de wolken de schuimende zee in, niet ver bij me vandaan. Ik haast me naar het land, waar de golven op de rotsen botsen en langzaam in wit schuim uit elkaar vallen. Dit kan nog een moeilijke landing worden.

Ik haast me naar het land, waar de golven op de rotsen botsen en langzaam in wit schuim uit elkaar vallen. Dit kan nog een moeilijke landing worden.

Weer een felle flits. Ik ben dichtbij het eiland nu. Maar waar kan ik van boord gaan? Ik zoek de luwte van een immense rots, en terwijl ik eromheen vaar zie ik ineens een smalle doorgang die me snel aan de beschutte kant van het eiland brengt.

Dat is geluk hebben. Het water is hier rustig, lichtblauw en hooguit een meter diep. De kayak glijdt weer soepel door het water, hoewel ik kramp in mijn handen heb. Het onweer drijft verder weg naar het westen. Ik kijk naar de oever. Als ik een Papoea was zou ik aan deze kant van het eiland mijn hut bouwen. Maar er is niks te zien. Niets. Alleen een stil druipend woud.

terug naar de verhalen

Site by Alsjeblaft!