Jaco Benckhuijsen

Man in het Wild

Jaco Benckhuijsen is schrijver, producer, muzikant en avonturier in de wildernis. In 2019 verscheen zijn boek ‘Man in het Wild’, over drie zeekajaktochten aan de randen van de Grote Oceaan. Sinds kort is ook het album ‘Man in het Wild’ uit, op vinyl en digitaal.

Blog Ghana 2007: Bandje

Korte verhalen uit een weeshuis op het oneindige platteland van Ghana, waar ik in 2007 werkte als vrijwilliger.

BANDJE

Een oranje jerrycan, waarvan de stugge plastic huid nog vet is van de olie.
Een oud nescafé-blikje, gevuld met steentjes van de straat. Roestige vlekjes.
Mijn plastic blokfluit.
Een leren band met belletjes.
Het glimmende metalen bord waaruit ik ’s morgens mijn koude spaghetti eet. Meer borden, en lepels erbij. En mijn eigen mondharmonica.

Ja, wij gaan vanmiddag optreden voor de school en de mensen uit het dorp. Ik heb wat kinderen bij elkaar gezocht die mee willen doen. hoewel muziek het zenuwstelsel van West-Afrika is houden de kinderen van het weeshuis, afgezien van Richard, zich er nooit mee bezig. Hun motoriek is ruw, door niet meer gevormd dan het trappen tegen een lekke bal en met de handen naar binnen werken van de maispap. Maar ergens in hun lichaam moet toch die muzikale expressie zitten en ik ga ernaar op zoek. Kan ik deze chaos van onverstaanbare stemmen en bonkige bewegingen samenbrengen tot iets wat klinkt, wat beweegt, wat aansteekt?

We gaan naar het betonnen schuurtje. Op mijn harmonica zoek ik naar een simpel ritme, een lichaamsritme. Het geluid vertelt iets wat onze voeten graag doen. Sampen en staan. Ik speel het voor en laat de kinderen meedoen. Stampen is eenvoudig en maakt veel plezier los. Richard, een puber die mijn blik altijd ontwijkt, gaat op de jerrycan zitten en speelt het basisritme. Hij heeft de rust van iemand die weet wat er op het spel staat.
Tijd om de instrumenten uit te delen. Delight krijgt de rammelaar, de ielige Maunyo wil de blokfluit, maar daar kan geen van de kinderen op spelen; een blokfluit heeft maar een heel klein beetje adem nodig, geef je teveel dan hoor je alleen maar een schril gepiep; en uit deze kinderen komt alleen een krachtige stoot lucht; daarbij kunnen ze die ruwe vingertjes niet op de gaatjes passen. Nee, de blokfluit wordt ook een percussie-instrument, als een stoomfluit wordt het ritme van de jerrycan meegeblazen.

Er wordt aan de rammelaar getrokken. Maunyo wil de rammelaar. Dan Delight maar de shaker. Kwadzo heeft geen instrument, maar hij wordt de dirigent, Kwadzo, die zich altijd verantwoordelijk voelt, heft zijn armen en zwaait de maat. En zo ontstaat een energiek muziekdansje waarin voeten, adem, blik en hout versmelten.

Het tussenstuk van de muziek krijgt een mysterieus karakter, wespelen zacht en zakken allemaal steeds dieper naar de grond.. en springen weer op in het verlossende refrein.

Na een uurtje is het stuk klaar. De mensen uit het dorp komen langs de betonnen omheining de binnenplaats op in hun kleurige lappen en nemen plaats op de houten stoelen in het zand.

Een magere donkere man doet een onverstaanbare aankondiging. In de korte stile daarna zoeken we elkaars aandacht.. En dan breekt de lucht door de doffe klappen op de jerrycan. Lepels rinkelen op de borden, dansen op de tonen van de jerrycan, blote voeten stampen in het zand en Kwadzo zwaait met zijn armen. Ritmes golven door de lucht, dunne zwarte armpjes vibreren en gruizige belletjes slingeren tussen de andere geluiden door, dreunen en slierten gerinkel en valse stoten uit de blokfluit draaien om ons heen en vallen neer tussen de mensen. Kwadzo leidt het orkest met zijn felle ogen en het spat uit elkaar op de binnenplaats.

Het stof waait op tot onze kniën we zijn een wolk van beweging en klank. Het is feest!, we kijken elkaar aan we stampen, Kwadzo met zijn litteken op zijn voorhoofd, Maonyo met zijn schuwe ogen, Sophia met haar verblindende glimlach, en als je niet stampt krijg je een zet van Kwadzo.

En het werkt, want uit het publiek van kleurige donkere mensen komt een vrouw aangewaggeld, en begint de abadja, die onnavolgbare Ewe dans waarbij je je ruggegraat steeds weer buigt en strekt en je ellebogen als kippevleugels op en neer beweegt.

Na het feest rennen de jongens gebukt heen en weer over het schoolplein, op zoek naar de doppen van de flessen frisdrank. Ze sparen ze totdat ze een elftal van gekarteld metaal hebben, oranje en blauw, waarmee ze tafelvoetbal spelen.

Plezier kost hier een roestig blikje, en oud olievat, wat rammelend keukengereedschap. Het begint hard en warm te regenen en het afdak van bruine palmbladeren stort in.

Site by Alsjeblaft!